Tekenen hoort bij de klas
In vrijwel iedere klas wordt getekend. Kinderen maken een tekening bij een verhaal, tekenen hun vakantie, oefenen vormen en letters, maken een verjaardagskaart of krijgen gewoon een leeg vel waarop ze zelf mogen bedenken wat er verschijnt. Soms hangt het resultaat aan de muur en soms verdwijnt het dezelfde middag in een tas.
Al die tekeningen hebben niet hetzelfde doel. De ene keer gaat het vooral om plezier en expressie, een andere keer oefent een kind vaardigheden en soms valt een tekening op omdat ze iets lijkt te vertellen over wat een kind bezighoudt.
Juist daarom is het interessant om als onderwijsprofessional bewuster naar kindertekeningen te kijken. Niet om achter ieder huis, iedere zwarte streep of ieder klein poppetje een betekenis te zoeken, maar om te herkennen wat een tekening binnen de situatie waarin ze gemaakt is kan toevoegen.
Begin bij het doel van de tekenactiviteit
Ruimte geven aan het verhaal van een kind betekent niet dat iedere tekenopdracht volledig vrij hoeft te zijn. In het onderwijs kan tekenen verschillende doelen hebben en dat doel bepaalt mede hoe je als leerkracht begeleidt.
Bij vrij tekenen kan expressie centraal staan. Het kind bepaalt wat het tekent, welke kleuren het gebruikt en wanneer de tekening voor hem klaar is. Een paarse boom hoeft dan niet groen of bruin te worden omdat bomen er in werkelijkheid anders uitzien. Misschien vindt het kind paars mooi, hoort de kleur bij het verhaal of was dat simpelweg het potlood dat het wilde gebruiken.
Maar een tekenactiviteit kan ook bedoeld zijn om te leren waarnemen, bepaalde vaardigheden te oefenen of ontwikkeling te volgen. Wanneer de opdracht juist is om goed naar een echte boom te kijken en weer te geven wat je ziet, mag je aandacht besteden aan vorm, verhoudingen, details en kleur. De paarse boom krijgt binnen die opdracht dus een andere betekenis.
De vraag is daarom niet altijd hoeveel vrijheid je een kind moet geven. De eerste vraag is: wat is het doel van deze tekenactiviteit?
Soms mag je een kind verder helpen
Hetzelfde geldt voor de hoeveelheid die een kind tekent. Stel dat een kind één stip op het papier zet en vervolgens zegt dat de tekening klaar is. Bij een volledig vrije activiteit kun je nieuwsgierig zijn naar die keuze en het daarbij laten. Misschien is die ene stip voor het kind precies wat het wilde maken.
Wanneer het doel van de activiteit is om bepaalde tekenvaardigheden te oefenen of zicht te krijgen op de ontwikkeling, ligt dat anders. Dan mag je als leerkracht stimuleren om verder te werken, een aanvullende opdracht geven of vragen om nog iets toe te voegen.
Vrijheid bieden en begeleiden zijn dus geen tegenpolen. Goed begeleiden betekent dat je weet waarom een kind op dat moment tekent en je aanpak daarop afstemt.
Tekenen laat ook ontwikkeling zien
Kindertekeningen veranderen naarmate kinderen zich ontwikkelen. De eerste krabbels en bewegingen over het papier maken geleidelijk plaats voor vormen, herkenbare figuren en steeds complexere voorstellingen. Ook de fijne motoriek, oog-handcoördinatie en beheersing van tekenmateriaal ontwikkelen zich.
In de klas kun je daardoor bijvoorbeeld kijken naar de manier waarop een kind lijnen maakt, vormen opbouwt en steeds meer details toevoegt. Ook de ontwikkeling van mensfiguren, het gebruik van de ruimte op het papier en het vermogen om gericht iets weer te geven kunnen door de tijd heen veranderen.
Juist onderwijsprofessionals hebben daarbij een interessant voordeel: zij zien een kind niet één keer tekenen. Gedurende een schooljaar ontstaan steeds opnieuw tekeningen. Daardoor kun je ontwikkeling en verandering over een langere periode waarnemen in plaats van conclusies te trekken uit één resultaat.
Niet ieder kind ontwikkelt zich daarbij op exact dezelfde manier of in hetzelfde tempo. Het gaat daarom niet om het afvinken van één perfecte tekening, maar om het volgen van de ontwikkeling die zichtbaar wordt.
Een tekening kan ook iets anders laten opvallen
Naast teken- en motorische ontwikkeling kan een tekening soms iets laten zien waardoor je nieuwsgierig wordt naar de beleving van een kind. Misschien verandert het tekenwerk opvallend. Een onderwerp komt steeds opnieuw terug, een kind laat zichzelf consequent weg uit gezinstekeningen of er ontstaat ineens een heel ander gebruik van kleur, ruimte of lijn.
Zo'n verandering vertelt op zichzelf nog niet wat er aan de hand is. Wel kan het een reden zijn om beter te kijken. Juist omdat je een kind en zijn eerdere werk kent, kun je soms opmerken dat iets afwijkt van wat je gewend bent.
Daarmee wordt een tekening geen signalerings- of diagnose-instrument. Ze kan wel één stukje informatie zijn naast wat je in de klas ziet, wat het kind vertelt en wat je verder over de situatie weet.
Niet iedere tekening is gemaakt om gelezen te worden
De context waarin een tekening ontstaat blijft daarom belangrijk. Een snelle tekening die een kind in twee minuten maakt terwijl het wacht tot de rest van de klas klaar is, bekijk ik anders dan een tekening waarvoor bewust een opdracht is gegeven.
Ook materiaal, beschikbare tijd en instructie hebben invloed. Wanneer alleen een grijs potlood beschikbaar was, zegt het ontbreken van kleur weinig over de kleurkeuze van het kind. Wanneer iedereen dezelfde voorbeeldtekening moest natekenen, is het logisch dat de resultaten op elkaar lijken.
En soms is een tekening gewoon een tekening. Kinderen proberen iets uit, tekenen hun vriend na, gebruiken hun favoriete kleur of zijn met hun hoofd al bij de pauze. Bewuster kijken betekent niet dat ieder detail onderzocht moet worden.
Eerst kijken, dan betekenis geven
Wanneer een tekening toch mijn aandacht trekt, begin ik met observeren. Voordat je bedenkt wat iets zou kunnen betekenen, kun je jezelf als professional een aantal eenvoudige vragen stellen:
- Wat zie ik letterlijk op het papier?
- Wat valt mij als eerste op?
- Waarom valt juist dit mij op?
- Was dit een vrije tekening of hoorde er een opdracht bij?
- Welke tijd, materialen en instructies kreeg het kind?
- Past deze tekening bij wat ik vaker van dit kind zie?
- Welke informatie heb ik al en wat weet ik nog niet?
- Wat vertelt het kind zelf over de tekening?
Door observatie en interpretatie eerst van elkaar te scheiden, voorkom je dat een eerste gedachte onmiddellijk een conclusie wordt.
Gebruik de tekening om een gesprek te openen
Wanneer je meer wilt weten, hoeft de eerste vraag niet over dat ene opvallende detail te gaan. Een vraag als "Waarom heb je alles zwart gemaakt?" bevat bijvoorbeeld al de aanname dat juist het zwart uitgelegd moet worden.
Begin liever bij het verhaal van het kind. "Vertel eens over je tekening" geeft veel meer ruimte. Daarna kun je aansluiten bij wat het kind zelf aanwijst of vertelt. Vragen als "Wat gebeurt hier?", "Wie is dit?" of "Waar wil je beginnen met vertellen?" houden het gesprek open.
Misschien blijkt het detail dat jou onmiddellijk opviel voor het kind helemaal niet belangrijk. Misschien vertelt het kind juist iets waar je zelf nog niet naar had gekeken. De tekening helpt dan niet doordat jij meteen het juiste antwoord vindt, maar doordat ze een ingang vormt voor een gesprek.
Wanneer kijk je verder?
Soms blijft een observatie je bij. Zeker wanneer iets vaker terugkomt, een duidelijke verandering zichtbaar wordt of de tekening aansluit bij veranderingen die je ook in gedrag of welbevinden opmerkt, kan het zinvol zijn om de informatie verder mee te nemen.
Dat betekent niet dat je als leerkracht zelf een volledige tekeninglezing hoeft te maken. Je kunt observaties naast andere informatie leggen en, wanneer daar aanleiding voor is, bespreken met een intern begeleider of andere betrokken professional.
Belangrijk blijft het onderscheid tussen wat je daadwerkelijk hebt gezien en wat je denkt dat het zou kunnen betekenen. "Het kind tekende zichzelf de afgelopen drie keer niet bij het gezin" is een observatie. "Het kind voelt zich buitengesloten door het gezin" is al een interpretatie. Dat verschil helpt om zorgvuldig over een tekening en over het kind te blijven spreken.
Probeer het eens in je eigen klas
Neem de volgende keer dat een tekening je aandacht trekt even de tijd voordat je er iets van vindt. Schrijf voor jezelf drie dingen op die je letterlijk ziet. Noteer daarna waarom juist deze tekening je aandacht trok en welke informatie je nog mist.
Stel het kind vervolgens één open vraag over de tekening en luister naar het antwoord zonder meteen naar je eigen observatie toe te sturen.
Misschien bevestigt het verhaal van het kind iets wat je al dacht. Misschien verandert je blik volledig. Beide zijn waardevolle informatie.
Dus... wat kunnen kindertekeningen betekenen in de klas?
Kindertekeningen kunnen in het onderwijs verschillende functies hebben. Ze bieden ruimte voor expressie, maken teken- en motorische ontwikkeling zichtbaar, kunnen onderdeel zijn van een gericht leerdoel en geven soms een ingang om iets meer te begrijpen van wat een kind bezighoudt.
Welke rol een tekening krijgt, begint daarom bij de vraag waarom er getekend wordt. Soms laat je volledig vrij. Soms begeleid en stimuleer je. Soms observeer je ontwikkeling. En soms valt er iets op waardoor je nieuwsgierig wordt en een gesprek begint.
Je hoeft als onderwijsprofessional geen tekeninglezer te zijn om tekeningen bewuster te gebruiken. Goed kijken, het doel van de activiteit kennen, veranderingen herkennen en open vragen stellen brengen je al een heel eind. De tekening hoeft daarbij niet het antwoord te geven. Soms is haar belangrijkste functie dat ze je helpt om een betere vraag te stellen.